Het debat en het denken over multiculturaliteit ontplooit zich verder, maar de conclusies gaan daarom niet de goede kant op.
Een eerste mythe is dat de multiculturele samenleving “gefaald” zou hebben. Een kleine maar realistische vergelijking tussen het Europa van vandaag en dat van de zestiende en zeventiende eeuw, leert als snel dat er minder religieus geweld nu is dan toen. Dank zij de Westerse godsdienstvrijheid werkt de multiculturele samenleving wel, zijn het niet optimaal.
Een tweede mythe is dat er over niets consensus bestaat in dit verband. Ook dat is fout: de consensus omvat het besef dat elke multiculturaliteit een monoculturele kern bevat, en omgekeerd dat een waarlijk zuivere monoculturele samenleving niet bestaat, nooit bestaan heeft, en in wezen een gevaarlijke utopie is. Een multiculturele samenleving heeft een overlappende consensuscultuur nodig, die de verscheidenheid van de burgers waarborgt.
De vraag is dus: welke consensuscultuur, en welke omschrijving van multiculturaliteit? Met het oog op het beantwoorden van die vraag, promoten sommigen “actief pluralisme” als summum van en als enig-echte verdraagzaamheid. Anderen noemen dit “laïcite positive”.
Debat over multiculturaliteit is vooral een bezigheid van “autochtonen” die onder elkaar discussiëren hoe ze de “vreemden” gaan bejegenen. Dit is geen onbelangrijke opmerking, aangezien sommigen “de migrant” en “de actief pluralist” met elkaar verwarren: misschien wensen migranten de pluralistische voorkeursbehandeling helemaal niet, het debat voltrekt zich voor een deel buiten hen en over hun hoofd, zoals ouders soms kibbelen over de opvoeding van hun kinderen, terwijl die gezellig zitten te spelen. Hierdoor ontstaat verwarring over het draagvlak van het debat over “actief pluralisme”.
Ik zal in deze tekst aantonen dat de invulling van multiculuraliteit als “actief pluralisme”, “diversiteit” of “interculturalisme” helemaal geen vorm van verdraagzaamheid is, sterker, dat de doctrine van “actief pluralisme” een nieuwe onverdraagzaamheid van religieuze aard omvat. Verder wil ik het concept “multicultureel burgerschap” toelichten hetwelke daarentegen wel een adequate basis legt voor de pacificatie van religieuze, culturele en andere verschillen. Als vertrekpunt kies ik het recente boek van Paul De Hert en Karen Meerschaut: “Scheiding van Kerk en Staat of actief pluralisme”.
“Actief pluralisme”: de nieuwe onverdraagzaamheid
Laat me beginnen met het logisch consistent bewijs dat “actief pluralisme” een nieuwe onverdraagzaamheid betekent.
(1) Om het verwijt van relativisme te vermijden stelt Ludo Abicht in het nawoord met betrekking tot het respect voor elementaire mensenrechten:
“Wanneer een partner dit principe,(…), niet aanvaardt, sluit hij zichzelf buiten het openbaar vertoog.”
Zelf-excommunicatie dus als straf, bij miskenning van “elementaire mensenrechten”. (In de marge: bestaan er dan andere, “facultatieve mensenrechten” ? Vormen de mensenrechten geen ondeelbaar geheel ?) Het gaat om een belangrijke stelling in het betoog van Ludo Abicht, waarmee hij de degelijkheid van “actief pluralisme” wil aantonen.
(2) Anderzijds is volgens Eva Brems, de katholieke-mensenrechten specialiste, “actief pluralisme” een rechtstreeks, noodzakelijk, en voor godsdienst en cultuur enig mogelijke gevolg van de mensenrechten. Zij stelt onomwonden:
“Mijn stelling is dat je met een maximalistische benadering eerder bij het actief pluralisme uitkomt dan bij het tegendeel ervan”.
Verder stelt Eva Brems “godsdienstvrijheid” gelijk aan “het recht op respect voor je godsdienst”, wat in de feiten een verbod op religie-kritiek impliceert, en dat alles in naam van de mensenrechten. Deze idee vindt men ook terug bij Bhiku Parekh:
“Human beings are culturally embedded, and respect for them requires that we also respect their cultures”
De mogelijkheid dat een cultuur de individuele integriteit intrinsiek aantast, wordt dus principieel uitgesloten, want anders zouden we voor Bhiku Parekh praktijken moeten respecteren die op hun beurt de “human beings” niet eerbiedigen. Dat zou vrij contradictorisch worden.
“Actief pluralisme” beschouwt Eva Brems als het summum van moraliteit en enig-correcte mensenrechtenvisie. Marlies Galenkamp merkt op over Ludo Abicht dat hij “actief pluralisme” voorstelt als een soort “eindfase van de geschiedenis”. Verder ziet het actief pluralisme interculturaliteit uitsluitend als verrijkend. Met de woorden van Bhiku Parekh:
“Diversity is not only inescapable but also enriches and contributes to the collectieve well-being of society”
Dat interculturele contacten ook synoniem kunnen zijn voor al dan niet bloedig intercultureel conflict, dat vergeten we blijkbaar even. Van een “bias” gesproken.
Paul Cliteur merkt op dat het begrip “actief pluralisme” nogal warrig en wazig is. Een correcte observatie, maar dat neemt niet weg dat Eva Brems zeer goed de kern ervan omschrijft. Het gaat om gelijke overheidssteun aan alle godsdiensten, omdat alle godsdiensten principieel “goed” zijn. Vandaar promoot Eva Brems het primaat van religie boven de rechtspraak. Ze schrijft:
“Actief pluralisme is geen juridisch concept, maar het lijkt als gevolg te hebben dat dergelijke vragen om uitzonderingen doorgaans moeten worden ingewilligd.”
Studenten moeten dus vrijgesteld worden van examen op religieuze feestdagen, burgers van kiesverplichtingen. De religieuze voorschriften primeren voor Eva Brems duidelijk boven de seculiere wet van de democratische rechtsstaat, die in bovenstaande gevallen de plicht tot positieve discriminatie, tot het verlenen van privileges zou hebben.
In dit primaat van religie boven de wet, ligt de kern van de doctrine van “actief pluralisme”. Dit blijkt eveneens duidelijk uit de tekst van Bhiku Parekh:
“It should evolve its unity out of its diversity by encouraging its cultural communities to evolve a plural national culture that both reflects and transcends them”
Dwz, voor Bhiku Parekh bestaat de overlappende consensuscultuur niet uit de waarden van de democratische rechtsstaat, maar uit de synthese van de plaatselijke religies. De rechtsstaat moet hierbij wijken voor het “nationale pluralisme”.
Het is duidelijk dat “actief pluralisme” een bepaalde “orthopraxis” veronderstelt, zoals “het in vraag stellen van de eigen levensbeschouwing”, “de plicht om voor zijn standpunt uit te komen”, “het verbod om zich op zichzelf terug te plooien”, enz. Ook hierbij ziet Marlies Galenkamp “actief pluralisme” als idealistisch en moeilijk te realiseren, als een “theorie met een hoog irreëel karakter”. Als reden daarvoor wijs ik hierbij op de “hooggegrepen” orthopraxis.
(3) De logische ketting die de redeneringen van Eva Brems en van Ludo Abicht samenvat is de volgende:
Mensenrechten -> actief pluralisme -> pluralistische orthopraxis
en die is dezelfde als:
Tegen pluralistische orthopraxis -> tegen “actief pluralisme” -> tegen mensenrechten
maar Ludo Abicht stelt tevens:
Tegen mensenrechten -> buiten “openbaar vertoog”
zodat de volledige samenvatting wordt:
Tegen pluralistische orthopraxis -> tegen “actief pluralisme” -> tegen mensenrechten -> buiten “openbaar vertoog”
Kortom: wie de orthopraxis van het actief pluralisme (tot in de kleinste details ?) niet ziet zitten, wordt beschouwd als “tegen de mensenrechten” en wordt uitgesloten “uit het openbaar vertoog”.
Hiermee is het bewijs geleverd van “actief pluralisme” als nieuwe onverdraagzaamheid: wie anders, niet-pluralistisch-orthodox, denkt of leeft, wacht de uitsluiting.
Actief pluralisme leidt niet alleen tot onverdraagzaamheid, de beide premissen van Eva Brems en van Ludo Abicht zijn fout. Mensenrechten zijn principes die nooit aanleiding kunnen geven tot één alleenzaligmakend antwoord binnen de praktijk. En al evenmin sluit iemand die een mensenrechtenprincipe met woorden ontkent, zich uit van het “openbaar vertoog”, want in dat geval zouden mensenrechten niet meer geoptimaliseerd kunnen worden: optimalisering vooronderstelt kritiek.
“Actief pluralisme” is als nieuwe onverdraagzaamheid bijgevolg ongeschikt als instrument tot maatschappelijke pacificatie van culturele en religieuze verschillen of tegenstellingen.
(4) Volgende punten funderen deze stelling verder:
1. “Actief pluralisme” is een nieuwe religie: de volgelingen geloven in de levensbeschouwelijke onkunde van het individu en in het primaat van de geloofsgemeenschap, en geloven dat “alle” godsdiensten “uit één bron” komen.
2. Een gevolg daarvan is intern cultuurrelativisme en afwezigheid van cultuurkritiek, dwz dat praktijken die gezien worden als “behorend tot de godsdienst” kritiekloos aanvaard worden, sterker, dat ze “recht hebben op respect”, en aldus aanleiding geven tot het toedekken of goedpraten van wantoestanden
3. Een tweede gevolg is dat manifest ontoelaatbare praktijken (bv “tegen de mensenrechten” ) beschreven worden als van buiten-religieuze bron, en we weten allen dat die bron “de duivel” is: die praktijken worden gediaboliseerd, men kan er “niet hard genoeg” mee zijn.
4. Een nieuwe inquisitie hangt daarmee samen, een mentaliteit die de werking van anti-discriminatiediensten kan hypotheceren. Eveneens zal bij “actief pluralisme” de neiging bestaan om zich tot “staatsgodsdienst” te ontwikkelen, een evolutie die op dit ogenblik volop aan de gang (b)lijkt. Bhiku Parekh vindt zulks wenselijk: “The plural national culture should permeate all areas of life and shape its overall ethos” , een pluralistische “national identity” , tot en met “multicultural text-books” op scholen.
5. Een derde gevolg is een “drang naar zuiverheid” om de samenleving te zuiveren van alle anti-actief-pluralisme.
6. Het principieel respect dat gevraagd wordt voor godsdienst leidt tot het aanpraten van valse schuldgevoelens, tot de culpabilisering van wie objectieve cultuurkritiek levert: aan religie zelf kan niets mis zijn, en dus kan de kritiek alleen zijn oorsprong hebben in het misvormd karakter van de criticaster,
7. De volgelingen van deze dwangmatige interculturaliteit worden verplicht tot het in vraag stellen van hun eigen levensovertuiging en tot het opnemen van nieuwe elementen: daaruit volgt een verlies aan authenticiteit.
8. “Actief pluralisme” is een vorm van communitarisme: de dialoog wordt gevoerd door vertegenwoordigers waarnaar de leden van elke groep zich te schikken hebben, de individuele dimensie telt niet mee.
9. Omdat “actief pluralisme” zich presenteert als “het summum van progressiviteit” is in die zin actief pluralisme “gemaskeerd-rechts”.
10. Religie en cultuur worden binnen “actief pluralisme” misbruikt voor politieke doeleinden, namelijk “samenlevingsopbow” en activering van de arbeidsmarkt.
11. Binnen het zoeken naar een “overlappende consensuscultuur” geeft het “actief pluralisme” het primaat aan religie, waardoor het een middel blijkt ter theocratisering van de samenleving.
12. “Actief pluralisme” kadert in de misleidende historiografische tendens waarbij men de katholieke Kerk als “uitvinder” van de democratische rechtsstaat en van de mensenrechten wil voorstellen.
Volgens mijn stelling is “actief pluralisme” dus geen respectabele alternatieve invalshoek op tolerantie: actief pluralisme is een pseudo-tolerantie, een nieuwe onverdraagzaamheid.
De bovenstaande opmerkingen gelden voor “actief pluralisme” in het algmeen, en in mildere mate voor zijn “afgeleiden”: de leer van de “maatschappelijke betamelijkheid” van Marlies Galenkamp, en het “kosmopolitisch pluralisme” waar Christophe Andrades voorstander van is.
Met haar leer van “maatschappelijke betamelijkheid” beoogt Marlies Galenkamp een middenweg tussen secularisme en “actief pluralisme”. Terecht wijst ze op het gevaar van verabsolutering van afzonderlijke grondrechten, maar ziet verkeerdelijk de oplossing daarvoor in zelfcensuur en in een terugkeer naar kleinburgerlijkheid, welke ze “betamelijkheid” noemt. Haar doel is een “oorlog van allen tegen allen” te vermijden, en dus moet iedereen zijn grondrechten inperken en zich netjes gedragen: er bestaat, volgens haar dan toch, geen “recht op belediging”.
Deze benadering is nefast, omdat “belediging” in tegenstelling tot het duidelijk gedefinieerde en objectief vaststelbare “laster en desinformatie”, een subjectief gegeven is. Wat bepaalt immers het verschijnsel “belediging”? Als het louter afhangt van de omschrijving daarvan door de beledigde, kan elk burger zich wel door iets beledigd voelen, waardoor alle interactie en expressie binnen de samenleving onmogelijk wordt en het maatschappelijk leven volledig blokkeert. Als het louter afhangt van het “erkende instanties”, dan krijgen die instanties een oneigenlijke macht. Omdat het ook om een niet-juridisch en uitermate vaag begrip gaat, dwz “betamelijkheid” , ontstaan rechtsonzekerheid en censuur zonder tegensprekelijk debat. Het voorstel van Marlies Galenkamp riekt erg naar conservatieve chantagepolitiek en naar betutteling.
Het kosmopolitisch pluralisme lijdt ook aan cultuurrelativisme, maar dan vooral in verband met globalisering, reizen en volksverhuizingen: migratie-relativisme. Hier meent men te weten dat alle maatschappelijke problemen voortkomen uit angst. Die wordt per definitie als irrationeel bestempeld, en als uitgebuit en aangekweekt door negatieve maatschappelijke drukkingsgroepen. En dus zijn “vertrouwen wekkende” maatregelen nodig. Het gaat hierbij duidelijk om een milde vorm van actief pluralisme, maar niettemin relativistisch en culpabiliserend. Zo hebben alle menselijke keuzes een grote verscheidenheid van motivaties, positieve en negatieve, die allemaal herleiden tot “angst” is een bewustzijnsvernauwing. Daarboven kan “angst” ook veroorzaakt worden door een even grote verscheidenheid van factoren, sommige reëel, andere irrationeel, zodat het kortzichtig is deze gevoelens principieel te verwerpen. Kosmopolitisch pluralisme omvat een space-shuttle-visie: het bekijkt de wereld van bovenaf als één groot dorp waar men zich overal thuis voelt, en gevoelens van onbehagen omdat men in een zuurstof- en gewichtsloze ruimte zweeft worden afgedaan als “irrationeel”. Tot het ding ontploft natuurlijk.
Geen van de drie bovenstaande formules bieden een adequaat antwoord op de problematiek van de multiculturele samenleving. Daarom zijn andere modellen nodig om tot een multiculturele vrede te komen.
Pacificatie door burgerrechten in een democratische lekenstaat
In “The clash within” beschrijft Martha Nussbaum de samenlevingsproblemen in India. Een boeiend onderwerp over de verzoening van traditie en moderniteit, omdat de democratische lekenstaat door nationalistische Hindu’s als koloniaal beschouwd wordt. Botsing tussen culturen voltrekt zich niet tussen naties of machtsblokken, zegt ze, maar binnen de maatschappij van elke natie, binnen elk mens, elk burger van die natie.
Een multiculturele samenleving is zowel bron van conflict als van verrijking. De oplossing voor dit cultureel geweld ziet Martha Nussbaum in de bezinning van ieder mens op zichzelf als mens, zodat ieder zijn eigen “clash within” kan oplossen en zo samenlevingsproblemen helpt oplossen. Ze verwijst expliciet naar Mohandas Gandhi, Indiër en icoon van geweldloze actie. Ze schrijft:
“The real “clash of civilizations” is not between “Islam” and “the West,” but instead within virtually all modern nations — between people who are prepared to live on terms of equal respect with others who are different, and those who seek the protection of homogeneity and the domination of a single “pure” religious and ethnic tradition. At a deeper level, as Gandhi claimed, it is a clash within the individual self, between the urge to dominate and defile the other and a willingness to live respectfully on terms of compassion and equality, with all the vulnerability that such a life entails.”
“Gandhi understood that. He taught his followers that life’s real struggle was a struggle within the self, against one’s own need to dominate and one’s fear of being vulnerable. He deliberately focused attention on sexuality as an arena in which domination plays itself out with pernicious effect, and he deliberately cultivated an androgynous maternal persona. More significantly still, he showed his followers that being a “real man” is not a matter of being aggressive and bashing others; it is a matter of controlling one’s own instincts to aggression and standing up to provocation with only one’s human dignity to defend oneself. I think that in some respects, he went off the tracks, in his suggestion that sexual relations are inherently scenes of domination and in his recommendation of asceticism as the only route to nondomination. Nonetheless, he saw the problem at its root, and he proposed a public culture that, while he lived, was sufficient to address it.”
Deze analyse van Martha Nussbaum is een grote stap vooruit tegenover het “actief pluralisme”. Ze kadert in de tradities van de Oosterse filosofie en zelfzorgtechnieken die “innerlijke vrede beogen”. De redenering is dat als elk burger op eigen kracht innerlijke vrede bereikt, de samenleving als resultante ook vredelievender zal worden.
Die redenering is ontegensprekelijk correct, maar ze vertelt maar de helft van het verhaal. Op een of andere manier wordt een tegenstelling gesuggereerd tussen structurele vrede te bereiken door politiek beleid, en innerlijke vrede, te bereiken door zelfzorgtechnieken. Die tegenstelling is een vals dilemma.
Stel dat iemand op zijn slaapkamer een lekkende kraan heeft, dan kan die zich dermate toeleggen op innerlijke rust tot het getik van de steeds vallende waterdruppels hem niet meer stoort en kan hij trachten te leren leven met het vervelende geluid. Anderzijds kan hij de kraan herstellen, of laten herstellen, en zo de stilte in de kamer terugbrengen. Beide strategieën zijn niet strijdig maar complementair, en geen van beide zijn op zich onfeilbaar. Zo zal het niet altijd mogelijk zijn de kraan te herstellen, en is er geen andere keuze dan met het geluid te leren leven. Anderzijds is het mogelijk dat men zelfs in een rustige kamer, na het herstellen van de kraan, door andere redenen, toch de zo gewenste innerlijke vrede niet vindt.
Het werken naar innerlijke vrede en structurele vrede gaan hand in hand.
Met deze bedenking centraal, wil ik voorstellen doen om bij te dragen aan een model voor multiculturele pacificatie.
We hebben daarbij iet minder maar meer burgerrechten nodig. Om verabsolutering van specifieke burgerrechten tegen te gaan, moeten we die niet beknotten met een “transcendent” beginsel zoals Marlies Galenkamp voorstelt, maar ze in evenwicht brengen met andere rechten. Burgerrechten worden dan niet beperkt of beknot, maar afgewogen tegenover andere. “Belediging van religie” is geen probleem, zo lang die beledigingen geen deel uitmaken van een systematische aantasting bij voorbeeld van het recht op leven van de beledigde. Het is aan democratische rechtbanken om daarover te oordelen in en na een tegensprekelijk debat.
Verder is het nodig te beklemtonen dat de problematiek van de multiculturele pacificatie zowel betrekking heeft op intracultureel geweld en als op intercultureel geweld. Culturele of religieuze authenticiteit is geen vrijgeleide tot mensenrechtenschendingen of tot laksheid over misdaden van gemeen recht, tussen mensen met verschillende cultuur, maar ook tussen mensen van eenzelfde cultuur. De problematiek van de afvalligheid is niet weg te denken uit dit debat.
Mijn visie op multicultureel burgerschap in een democratische lekenstaat omvat een dubbele strategie: vrije keuze en conflicthantering.
Het eerste luik omvat verrijking op basis van vrijheid. Een multiculturele maatschappij als expressie van redelijke zelfbeschikking, het zou moeten kunnen. Zulks betekent dat religie en cultuur principieel individuele aangelegenheden en keuzes zijn en blijven. Daaruit volg dat de burgers vrij kunnen kiezen voor de ene of voor de andere cultuur, dwz dat die voor handen is, dat de participatie eraan niet verboden is, maar eveneens dat het even gemakkelijk is er weer uit te stappen. Beide rechten, het recht op afvalligheid én het recht op participatie, dienen wettelijk gewaarborgd. Godsdienstvrijheid betekent dus de afwijzing van fundamentalisme: van participatieplicht kan geen sprake zijn.
Redelijke zelfbeschikking vraagt dus ook redelijkheid in de cultuurbeleving, en daarom is het recht op vrije meningsuiting cruciaal. Om de zelfcorrectie van cultuur te stimuleren is objectiverende cultuurkritiek noodzakelijk, en opdat die zijn weg zou kunnen vinden is vrije meningsuiting onontbeerlijk. Die vrije meningsuiting is dan weer niet hetzelfde als absoluut vrij spreekrecht. Het doel is het beschikken over de middelen die het vrij opbouwen en het vrij uiten van een mening mogelijk maken, niet het verkondigen van kwalijke laster en van desinformatie, of het systematisch kleineren van een bepaalde bevolkingsgroep. Het kan dus niet dat bepaalde expressievormen aan banden worden gelegd omdat één of andere groep er aanstoot aan neemt, het kan evenmin dat diezelfde expressievormen worden misbruikt met het doel van weg te pesten, te ridiculiseren of te intimideren. Het komt aan democratische rechtbanken toe om te oordelen of iemand zijn recht op vrij mening al dan niet misbruikt. Het gaat om een postieve vrijheid, waarbij, zoals geegd, de problematiek van de capabilities zeer belangrijk is.
Redelijke zelfbeschikking in een multiculturele samenleving impliceert ook interculturele vrijheid. Het is belangrijk dat de overheid in mogelijkheden voorziet interculturele contacten mogelijk maken en vergemakkelijken, ik denk daarbij eerst en vooral aan interreligieuze huwelijken. Interculturele vrijheid betekent echter ook dat de interculturele dimensie noch de norm noch een verplichting is, maar een vrije keuze, een extra-mogelijkheid die toegevoegd wordt aan de reeds bestaande. Anders gezegd: een huwelijk tussen een moslim en een katholiek behoeven noch verboden, noch de regel te zijn, maar vrij kunnen. Daarom is het goed dat het wettelijk huwelijk gepromoot wordt als volwaardig huwelijk, en dat koppels nooit verplicht worden een expliciete levensbeschouwelijke keuze te maken, zodat beide partners zelf kunnen beslissen hoe ze omgaan met hun verscheidenheid. Dit wordt een soort “recht om niet te kiezen”, waardoor interculturele contacten duurzamer kunnen worden.
Een multiculturele samenleving brengt ook cultureel geweld met zich mee. Adequate geweldhantering is dan ook ontontbeerlijk voor de pacificatie van deze conflicten.
Objectiverende cultuurkritiek is de “conditio sine qua non” van levensbeschouwelijke pacificatie, om cultuurelementen te selecteren die onwenselijk zijn. Elke cultuur wordt op basis van die kritiek uitgenodigd tot zelfbezinning en bijsturing. Sommige cultuurelementen bevatten immers praktijken die onverzoenbaar zijn met de wetten en de waarden van de democratische lekenstaat en van de mensenrechten. Progressieve en modernistische stromingen binnen alle religies getroosten zich het werk om zichzelf aldus te herdefiëneren, meer naar de geest en minder naar de letter van hun religie. Is een kledingsvoorschrift een oproep tot soberheid, dan primeert de sobere levensstijl boven de orthopraxis van de dresscode. Lidmaatschap op basis van geboorte of de kinderdoop, zijn voor kritiek vatbaar, als daar geen passende uittredings- en afvalligheidsmogelijkheden tegenover staan. Sommige praktijken dienen afgeschaft, of vervangen door een symbolische versie. Kortom: het gaat om een zelfbezinning van de cultuur op zichzelf, met het oog op het respect voor de deelnemers en op vreedzame coëxistentie met andere groepen. Dit houdt in dat cultuur en religie ten dele onderworpen worden aan legale en wetenschappelijke kritiek, en zeker niet omgekeerd.
Zero-tolerantie ten overstaan van fundamentalisme kan deze zelfbezinning stimuleren, omdat ze cultuurpraktijken die mensenrechten en rechtsstaat schenden, strafbaar maakt. De (politionele) scheiding van Kerk en Staat is noodzakelijk omdat gerechtelijke vervolgingsmogelijkheden om religieuze redenen het tegendeel zijn van zero-tolerantie ten aanzien van fundamentalisme. Op het ogenblik dat religieus of cultureel gemotiveerde gerechtelijke vervolging mogelijk is, bestaat de scheiding tussen Kerk en Staat niet meer, en is er ook geen democratische rechtstaat meer. De lekenstaat garandeert het bestaansrecht van elk religie, en daarom staat de scheiding tussen Kerk en Staat centraal in een multiculturele samenleving. Mensen vervolgen louter omdat ze een religie zouden “beledigen”, betekent een onaanvaardbare doorbreking van dit beginsel.
Uit het voorgaande is duidelijk dat degelijke logische consistentie binnen debatten meer dan wenselijk is. Logica en wetenschap onderbouwen de pacificatie van conflicten, omdat ze het mogelijk maken betrouwbare kennis te onderscheiden van desinformatie en propaganda, en feitelijke informatie af te bakenen tegenover geloof. Om te kunnen beslissen of een bepaalde culturele praktijk een mensenrechtenschending inhoudt, is het nodig correcte informatie te hebben over de effecten en de impact van die praktijk. Religies die vragen om elke dag te mediteren bij kaarslicht, staan niet op dezelfde voet als degene die dagelijkse zelfverminking eisen. Hiertoe zijn wetenschappelijke onderscheidingscriteria nodig.
De waarden van de humanistische democratische lekenstaat kan aldus de rol op zich nemen van “overlappende consensuscultuur”. Die is dan geen interculturele mix, maar een legaal kader met het oog op het respect voor mensenrechten in hun ondeelbare totaliteit. Daaruit volgt dat de ambtenaren en de magistraten deze “neutrale” consensuscultuur dienen te belichamen, zowel in gedrag als in uiterlijk.
Tot die overlappende consensuscultuur van het multicultureel burgerschap kan ook de opvoeding tot geweldloze communicatie en wederzijds respect behoren. Tevens kunnen in aanvulling sensibiliserings- en informatiecampagnes gevoerd worden om wederzijds begrip te bevorderen, met dien verstande dat met “meer kennis van elkaar “ook “meer kritiek op elkaar” mogelijk wordt. Nodig is zeker stereotypen af te bouwen en te vervangen door gefundeerde kennis van cultuurelementen.
Een humanistische benadering vraagt het overstijgen van de eigen ideologie. Zulks betekent bij voorbeeld dat men als hulpverlener bij een ongeval geen interculturele debatten gaat starten met een zwaargewonde, maar ongeacht het cultuurverschil de nodige zorg zal verlenen aan de gewonde mens, als mens. Dit veronderstelt het bewaren en verstevigen van de eigen ideologie, tot men die probleemloos kan “transcederen” in functie van begrip, zorg en aandacht voor de mede-mens.
Zulk een multicultureel burgerschap in een humanistische democratische lekenstaat is noch grijs, noch onverschillig noch “rechts”. Martha Nussbaum merkt in haar boek op dat het multicultureel geweld in belangrijke mate uitgaat van een ultranationalistische, op zakengerichte, kapitalistische, rechts-religieuze kaste. In India zijn dat de Hindu-nationalisten, in de USA de kapitalistische protestante fundamentalisten. Multiculturele pacificatie betekent dus ook het tegengaan van de machtsmonopolies van deze homogeniserende en uitbuitende groepen. De emancipatorische kracht van de democratische lekenstaat respecteert de redelijke zelfbeschikking, bevrijdt de samenleving van conflict en beoogt universeel welzijn.
Aldus sluit ik aan bij de visie op de lekenstaat van Henri Pena-Ruiz: multicultureel burgerschap is kleurrijk, betrokken en emancipatorisch, verzoent de individuele vrijheid met de culturele authenticiteit, en is daarom adequater dan actief pluralisme om een vredelievende multiculturele samenleving verder op te bouwen.
Interessante links:
Christophe Andrades: “Voorbij de multiculturele samenleving”
Bhikhu Parekh: “A Commitment to Cultural Pluralism”
Ludo Abicht : “Anderszijn bedreigt niet, maar biedt kansen”
Patrick Loobuyck en Mohamed El Omari: “Actief pluralisme is te verkiezen boven strikte neutraliteit”
Patrick Stouthuysen: “Een pleidooi voor substantieel secularisme”
Pankaj Mishra: “Impasse in India”
Sepia Mutiny: “Martha Nussbaum on India’s “Clash Within”
Henri Pena-Ruiz: “Laïcité et égalité, leviers de l’émancipation”